Klein Verlet: Bijlage 11 van het arbeidsreglement ivm afwezigheden
1.1. Huwelijk van de medewerker:
drie opeenvolgende werkdagen, de dag van het wettelijk of het kerkelijk huwelijk inbegrepen (de zaterdag wordt in het stelsel van de vijfdagenweek niet als werkdag beschouwd) te kiezen tijdens de week waarin de gebeurtenis plaatsgrijpt of tijdens de daarop volgende week. Er wordt gegarandeerd dat bij huwelijk steeds 3 werkdagen betaalde afwezigheid wordt gegeven en dit in de week waarin het huwelijk plaatsvindt of in de daaropvolgende week.
Wettelijke samenwoning: bij ondertekening van een verklaring van wettelijk samenwonen door een medewerker:
Drie opeenvolgende werkdagen, de dag van de ondertekening voor de ambtenaar van de burgerlijke stand inbegrepen, conform de regeling voor gehuwden.
Bij een later huwelijk door dezelfde partijen binnen de 10 jaar sinds de verklaring van wettelijke samenwoning, zullen deze dagen verrekend worden in de dagen klein verlet voor het huwelijk.
In geval van eventuele latere gebeurtenissen van wettelijke samenwoning door de medewerker wordt het recht op deze 3 opeenvolgende werkdagen betaalde afwezigheid slechts toegestaan nadat er 10 jaar verstreken zijn sinds de voorgaande gebeurtenis van wettelijke samenwoning.
1.2. Huwelijk van een kind van de medewerker of zijn echtgeno(o)t(e), van een broer, zuster, schoonbroer, schoonzuster, van de vader, van de moeder, schoonvader, schoonmoeder, stiefvader, stiefmoeder, van een kleinkind van de medewerker:
één werkdag, de dag van het huwelijk.
1.3. Priesterwijding of intrede in het klooster van een kind van de medewerker of van zijn echtgeno(o)t(e), een broer, zuster, schoonbroer of schoonzuster van de medewerker:
één werkdag, de dag van de plechtigheid.
1.4 Geboorteverlof (GBP),adoptieverlof en pleegouderverlof:
1.4 a).Iedere medewerker heeft voor de geboorte van een kind geboren vanaf 1 januari 2023, waarvan de verwantschap langs vaderszijde wettelijk vaststaat het recht 20 dagen van het werk afwezig te zijn.
Voor de geboorte van een kind waarvan de wettelijke verwantschap niet langs vaderszijde vaststaat heeft de medewerker die gehuwd is, wettelijk samenwoont of duurzaam samenwoont met de moeder van het kind recht op 20 dagen geboorteverlof.
Het recht op geboorteverlof komt hierbij in dalende volgorde toe aan de medewerker die op het ogenblik van geboorte:
– gehuwd is met de moeder van het kind;
– wettelijk samenwoont met de moeder van het kind, en bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;
– sedert een onafgebroken periode van drie jaar voorafgaand aan de geboorte samenwoont met de moeder van het kind, en bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
Het bewijs van samenwoning en hoofdverblijfplaats wordt geleverd aan de hand van een uittreksel uit het bevolkingsregister. Het bewijs van partnerschap in het kader van geboorteverlof wordt door de medewerker geleverd door respectievelijk de huwelijksakte, een bewijs van wettelijke samenwoning of een uittreksel uit het bevolkingsregister waaruit de inschrijving op hetzelfde adres blijkt gedurende minstens drie onafgebroken jaren voorafgaand aan de geboorte. In het kader van feitelijke of wettelijke samenwoning is bovendien vereist dat tussen de werknemer en de partner geen band van bloedverwantschap bestaat die leidt tot een huwelijksverbod.
De 20 dagen zijn vrij te kiezen in de periode van 4 maanden te rekenen vanaf de dag van de bevalling.
De eerste drie dagen geniet de medewerker behoud van loon (VV), de resterende 17 dagen worden uitbetaald door het ziekenfonds (GBP).
1.4 b). Het adoptieverlof geeft de medewerker het recht ter gelegenheid van het onthaal van een minderjarig kind in zijn gezin in het kader van adoptie, van het werk afwezig te zijn gedurende een aaneengesloten periode van maximum 6 weken.
Vanaf 2019 zal er om de 2 jaar telkens een week bijkomen tot het maximum van 17 weken bereikt is tegen 2027.
° Vanaf 2023: 6 weken per adoptieouder + 3 weken
° Vanaf 2025: 6 weken per adoptieouder + 4 weken
° Vanaf 2027: 6 weken per adoptieouder + 5 weken
Elke adoptieouder kan 6 weken opnemen en de bijkomende 5 weken kunnen onderling verdeeld worden tussen beide adoptieouders.
De opname van het adoptieverlof moet een aanvang nemen binnen een periode van 2 maanden volgend op de inschrijving van het kind in het bevolkings- of vreemdelingenregister van de gemeente.
De eerste drie dagen geniet de medewerker behoud van loon (VV), de resterende dagen worden uitbetaald door het ziekenfonds (APV).
Het geboorteverlof dat werd opgenomen zoals vermeld in 1.4 a) wordt in mindering gebracht van de periode van het adoptieverlof.
1.4 c). De medewerker die naar aanleiding van een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg een minderjarig kind in zijn gezin onthaalt, met het oog op de zorg voor dit kind, heeft eenmalig recht op pleegouderverlof per pleegkind gedurende een aaneengesloten periode van maximum 6 weken.
Op dezelfde wijze als onder 1.4. b.) zal er vanaf 2019 om de 2 jaar telkens een week bijkomen tot het maximum van 17 weken bereikt is tegen 2027, waarbij er 6 weken per pleegouder te nemen zijn en de bijkomende weken onderling verdeeld kunnen worden tussen beide pleegouders.
Het pleegouderverlof moet een aanvang nemen binnen 12 maanden volgend op de inschrijving van het kind in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente.
De eerste drie dagen geniet de medewerker behoud van loon (VV), de resterende dagen worden uitbetaald door het ziekenfonds (APV).
* Met langdurige pleegzorg wordt bedoeld pleegzorg waarvan bij aanvang duidelijk is dat het kind voor minstens zes maanden in hetzelfde pleeggezin of bij dezelfde pleegouder of dezelfde pleegouders zal verblijven (inschrijving in het bevolkingsregister). De attestering hiervan gebeurt door de bevoegde pleegzorgdiensten.
1.5 a) Overlijden van de echtgeno(o)t(e) of een kind van een medewerker of een kind van zijn echtgeno(o)t(e) of overlijden van een pleegkind in het kader van een langdurige pleegzorg
10 werkdagen, waarvan 3 tijdens de periode vanaf de dag van het overlijden tot de dag van de begrafenis en/of asverstrooiing en 7 dagen binnen het jaar na de dag van overlijden.
- b) Overlijden van de vader, moeder, schoonvader, schoonmoeder, stiefvader of stiefmoeder van de medewerker of deze van zijn echtgeno(o)t(e).
drie werkdagen door de medewerker te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt met de dag van de begrafenis en /of asverstrooiing.
1.6. Overlijden van een broer, zuster, stiefbroer of stiefzuster, schoonbroer, schoonzuster, van een overgrootvader, overgrootmoeder, grootvader, grootmoeder, van een achterkleinkind, kleinkind, schoonzoon of schoondochter van de medewerker of deze van de echtgeno(o)t(e), die bij de medewerker inwoont:
twee werkdagen door de medewerker te kiezen in de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt met de dag van de begrafenis en/of asverstrooiing.
1.7. Overlijden van een broer, zuster, stiefbroer of stiefzuster, schoonbroer, schoonzuster, van een overgrootvader, overgrootmoeder, grootvader, grootmoeder, van een achterkleinkind, kleinkind, schoonzoon of schoondochter van de medewerker of deze van de echtgeno(o)t(e), die niet bij de medewerker inwoont:
de dag van de begrafenis of asverstrooiing.
1.8. Overlijden van een pleegkind van de medewerker of van zijn echtgeno(o)t(e) in het kader van kortdurende pleegzorg op het moment van overlijden:
de dag van de begrafenis of asverstrooiing.
1.9. Plechtige communie van een kind van de medewerker of van zijn/haar echtgeno(o)t(e) :
één dag te nemen tijdens de week waarin de gebeurtenis plaats heeft of tijdens de daaropvolgende week.
1.10. deelname van een kind van de medewerker of van zijn/haar echtgeno(o)t(e) aan het feest van de “Vrijzinnige Jeugd” daar waar dit feest plaatsheeft :
één dag te nemen tijdens de week waarin de gebeurtenis plaatsheeft of tijdens de daaropvolgende week.
1.11 Bijwonen van een bijeenkomst van een familieraad, bijeengeroepen door de vrederechter : (de familieraad werd afgeschaft in 2001)
de nodige tijd met een maximum van één dag.
1.12. Deelname aan een jury of oproeping als getuige voor de rechtbank. Voor een persoonlijke verschijning op aanmaning van de arbeidsrechtbank :
de nodige tijd met een maximum van vijf dagen.
1.13. Uitoefening van een ambt van bijzitter in een hoofdstembureau of enig stembureau bij parlements-, provincieraads- en gemeenteraadsverkiezingen:
de nodige tijd.
1.14. Uitoefening van het ambt van bijzitter in een hoofdstembureau voor stemopneming bij de parlements-, provincieraads- en gemeenteraadsverkiezingen
de nodige tijd met een maximum van vijf dagen.
1.15. Uitoefening van het ambt van bijzitter in één van de hoofdbureaus bij de verkiezingen van het Europees Parlement :
de nodige tijd met een maximum van vijf dagen.
1.16. Oproep om te verschijnen voor militieraad, deelname aan een militaire parade:
één dag.
1.17. Adoptie van een kind :
zie punt 1.4. “vaderschapverlof en adoptieverlof ”
1.18. Verblijf van een gewetensbezwaarde medewerker bij de administratieve gezondheidsdienst of in één van de door de Koning erkende hospitaalinrichtingen, overeenkomstig de wetgeving betreffende het statuut van de gewetensbezwaarden :
de nodige tijd met een maximum van drie dagen.
1.19. Eén dag betaalde afwezigheid per vier weken (28 kalenderdagen) voor familiebezoek bij opleiding in het buitenland. Na één jaar verblijf in het buitenland krijgt de medewerker per vier weken (28 kalenderdagen) één bijkomende dag betaalde afwezigheid voor familiebezoek.
1.20. Bij verhuis :
één dag betaalde afwezigheid voor een medewerker die verhuist van een gemeente waar geen stopplaatsen van de personeelsautobussen zijn, naar een gemeente waar wel stopplaatsen van de personeelsautobussen zijn. Deze dag moet door de personeelsafdeling toegestaan worden.
1.21. Toekennen van betaalde afwezigheidsdagen voor examens
(voor zover de medewerker geen educatief verlof geniet) :
Per examendag wordt een halve dag betaalde afwezigheid gegeven, dit echter tot een maximum van twee dagen per examenperiode.
Per jaar worden slechts twee examenperiodes aanvaard.
Dit betekent dat maximum slechts vier betaalde afwezigheidsdagen per kalenderjaar wegens examens kunnen worden genomen. Wanneer minder examendagen nodig zijn, worden vanzelfsprekend niet meer dan de nodige afwezigheidsdagen toegestaan. Voor het afleggen van een eindexamen is het samenbundelen van de betaalde afwezigheidsdagen van een kalenderjaar mogelijk. Deze uitgebreide, vrijwillige prestatie van de onderneming wordt slechts toegestaan in geval van een beroepsvervolmaking, die ook in het belang van de onderneming is en die moet, tijdig, uiteraard voor het afleggen van het examen, aangevraagd worden.
1.22. De medewerker die in verband met de militaire dienst voor de herkeuringsraad dient te verschijnen, krijgt één dag betaalde afwezigheid.
- Specifieke bepalingen:
2.1 Medewerkers die samenwonen kunnen naar analogie aanspraak maken op klein verlet voor gebeurtenissen met betrekking tot verwanten van hun partner indien zij op hetzelfde domicilie zijn ingeschreven.
2.2 De deeltijdse medewerkers hebben het recht, met behoud van hun normaal loon, van het werk afwezig te zijn gedurende de hierna bedoelde dagen en perioden die samenvallen met de dagen en de perioden waarop zij normaal zouden hebben gewerkt. Zij mogen de afwezigheidsdagen kiezen met inachtname van dezelfde beperkingen als deze bedoeld in de toekenningsmodaliteiten.
2.3 Medewerkers die in een nachtploeg werken, hebben bij één dag klein verlet de keuze tussen de nacht vóór of na de gebeurtenis.
2.4. Familiebanden met het pleegkind worden tijdens de periode van langdurige pleegzorg* gelijkgesteld met de familiebanden met het (eigen) kind voor alle gebeurtenissen die aanleiding geven tot klein verlet.
*pleegzorg waarvan bij aanvang duidelijk is dat het kind voor minstens zes maanden bij dezelfde pleegouder(s) zal verblijven. Attestering via de pleegzorgdienst.
Voor gebeurtenissen na afloop van de langdurige pleegzorg (met uitzondering van overlijden van het pleegkind, de (stief)(schoon) pleegmoeder of -vader), geldt de bijkomende voorwaarde dat het pleegkind gedurende een onafgebroken periode van drie jaar op permanente en affectieve wijze deel heeft uitgemaakt van het pleeggezin.
